De muskusrat

In het begin van de vorige eeuw nam een Tsjechische graaf van een jachtreis door Alaska een paar pelsdiertjes mee naar huis. Voor de aardigheid. Vijf donkerbruine exemplaren -inclusief staart- ruim een halve meter lang, met een opvallend glanzende zijdezachte vacht. Hij zette ze uit in een visvijver op zijn buitenverblijf in Bohemen, voerde ze nog een tijdje bij met wortels en aardappelen en hield zich een seizoen in bedwang. Toen ging de graaf op jacht en legde er in korte tijd meer dan dertig neer. De graaf bleek achteraf toch niet zo’n heel goede schutter. Tien jaar later schatten deskundigen het aantal dieren in een straal van honderd kilometer rond het buitenverblijf op ongeveer twee miljoen! Europa had er in een klap een nieuwe diersoort bij: de muskusrat.

Vanuit Bohemen trok de muskusrat de rest van Europa door. In 1941 werd hij voor het eerst in Nederland gesignaleerd. Dat was in de Brabantse Dommel, even onder Valkenswaard. Hij deed er nog eens dertig jaar over om het noorden van Nederland te bereiken. Heel Nederland, met uitzondering van enkele Waddeneilanden en een deel van Noord-Holland, is dan inmiddels woongebied van de muskusrat.

De muskusrat heeft de Provincie Noord-Holland nooit echt kunnen koloniseren. Dit komt omdat Noord-Holland eigelijk een soort schiereiland is. Het is gelukt om de watergangen tussen Zuid-Holland en Noord-Holland goed “dicht te zetten”. Zo is voorkomen dat de muskusrat hier vaste voet aan wal heeft gekregen.

signalement04De muskusrat heeft zich over Europa kunnen verspreiden omdat het trekken hem in het bloed zit. Tweemaal per jaar, in het voor- en najaar, gaan ze op zwerftocht. In het voorjaar gaan de mannetjes (de rammen) en de vrouwtjes (de moertjes) op zoek naar elkaar om daarna spannetjes te vormen. De spannetjes gaan daarna aan gezinsuitbreiding werken. Bij de voorjaartrek spelen dus vooral seksuele drijfveren een rol.

De najaartrek is vooral een trek van jonge dieren die zijn weggestuurd door de ouderdieren en die nu een eigen territorium zoeken. Verder trekken de muskusratten instinctief van ondiepe poldersloten naar diepere sloten. Dit doen ze om te voorkomen dat ze bij een strenge winter door het ijs worden ingesloten. Ook groeit er in diepere sloten vaker riet. Tijdens de winter eten muskusratten graag rietwortels. Tijdens de trek leggen vooral de mannetjes flinke afstanden af, soms wel een paar kilometer per dag.

Signalement
signalement01 De muskusrat wordt vaak met andere knaagdieren verward. Vooral met woelrat, bruine rat en beverrat. Het is dus goed een duidelijk signalement te geven.

Een volwassen exemplaar meet -met staart- ruim een halve meter. Hij is dus een stuk groter dan woelrat en bruine rat. Maar het opvallendste verschil zit hem in de staart. De staart is bijna even lang als het beest zelf en is aan de zijkanten afgeplat. Het is net een palingstaart. Geen ander zoogdier in Nederland heeft zo’n staart.

signalement02De muskusrat heeft een stompe kop met kleine, nauwelijks zichtbare oren. De pels kan variëren van roodbruin tot donkerbruin, maar bijna zwarte exemplaren komen ook voor. De buik is grijs tot vaalwit. Opvallend zijn de korte poten waarop het dier zich voortbeweegt. De achterpoten zijn overigens bijna driemaal zo groot als de voorpoten.

signalement03