De beverrat

De beverrat –ook wel naar de pels Nutria genoemd- is afkomstig uit het subtropische deel van Zuid-Amerika. De beverrat is veel groter dan de muskusrat, het dier meet zonder staart ongeveer 60 cm (met de ronde staart mee 1 m) en weegt gemiddeld zo’n 6 kilo. Allerlei kleuren komen voor, van de normale wildkleur naar effen kleuren, vooral grijs en ook zwart. De kleuren zijn een gevolg van het feit dat een deel van deze dieren uit gevangenschap afkomstig is.

Beverratten hebben anders dan de muskusrat van oorsprong geen strak jaarschema wat betreft de reproductie. De indruk bestaat echter dat er hier toch enige aanpassing aan de temperatuurwisseling plaatsvindt. Ze krijgen 2 tot 3 maal per jaar jongen, en met een worpgrootte van ongeveer dezelfde omvang als bij de muskusrat (6 stuks) gaat de reproductie bij de beverrat dus wat langzamer.

Ook graaft de beverrat niet zo fanatiek als de muskusrat. De laatste graaft met variërende waterstanden omhoog en omlaag, de muskusrat wil immers het waterslot aan de toegang tot de bouw in stand houden. Een beverrat (groter, minder natuurlijke vijanden) maakt een hol op de hoogte van de waterlijn en neemt soms zelfs ver van het water verwijderd een oude konijnenpijp in gebruik, bijvoorbeeld in een eigenlijk altijd droogstaande winterkade.

Aangezien het een groot dier is, is zo’n uitgebouwd konijnenhol een groot gat, dat de beverrat door verder graven zonodig droog houdt. Geen zaak, waarvan een dijkbeheerder enthousiast wordt. Maar vaak gebruiken ze in moerasachtige vegetaties een soort nest van samengebogen plantenstengels boven de hoogwaterlijn.

Daarnaast veroorzaakt de beverrat grote oeverkantschade en veel gewasschade. Zowel natuurlijke oeverkantvegetaties als cultuurgewassen als maïs, bieten en dergelijke worden gegeten. Net als de muskusrat eten sommige beverratten ook wel zoetwatermossels.

Een ander belangrijk kenmerk van beverratvrouwtjes is dat de tepels om de jongen te zogen vrij hoog opzij van het lichaam zitten. Zo kan het zogen in het water plaatsvinden.

In Europa werd de beverrat al voor 1900 geïntroduceerd. Toen al bezat Hagenbeck’s dierenpark in Hamburg meerdere exemplaren. Die waren in hokken gehuisvest en ze overleefden koude winters goed. Beverratten zijn namelijk slecht toegerust op winterse omstandigheden. Poten en staart bevriezen en bij langdurige vorst sterft een deel van de populatie.

Tot rond 1985 kenden we in Nederland kweekbedrijven met beverratten. Ontsnappingen uit dergelijke kwekerijen en de aanvoer van beverratten van met name Duitsland zijn belangrijke bronnen van beverratten in het wild in Nederland.

De laatste jaren lopen de in Nederland aanwezige aantallen beverratten fors op. Werden er tientallen jaren lang niet meer dan enkele tientallen tot enkele honderden gevangen, de laatste jaren gaat het om enkele duizenden dieren. En nu de winters in Nederland niet bijzonder koud meer zijn overleeft de beverrat steeds beter en nemen de aantallen en de verspreiding toe.

Klemmen die bij de bestrijding van dit dier gebruikt worden hebben een omvang en een sterkte die heel wat groter zijn dan die van een muskusratklem. Afhankelijk van de plek kan bij het gebruik van dit materiaal daarom gevaar voor mens en huisdier ontstaan, maar bijvoorbeeld ook voor bever en otter. Daarom wordt bij de bestrijding van de beverrat steeds meer gebruik gemaakt van levend vangende kooien. Voor de beverrat is aangetoond dat hiermee effectief kan worden gewerkt. Het werken met kooien vraagt echter om een andere manier van werken (denk alleen al aan de omvang van zo’n kooi in vergelijking met een klem). En het kost veel meer tijd.

Bestrijding van de beverrat wordt door de Nederlandse muskusratbestrijders uitgevoerd. Over de muskusrat werd bij wet besloten dat dit dier overal in Nederland intensief en permanent zal worden bestreden.

De beverrat zal binnen Nederland zo snel mogelijk worden uitgeroeid, waarna bestrijding aan de landsgrenzen overblijft.